In Deelschool 1 werken zowel Nijntje
als de groepen 1/2 volgens een ontwikkelingsgerichte benadering.
Nijntje gebruikt hiervoor Startblokken, het pedagogisch werkplan
voor de vroegvoorschoolse periode. De groepen 1/2 Basisontwikkeling,
het werkplan voor de onderbouw.
In beide werkplannen wordt gewerkt
aan de ontwikkeling van taal, rekenen en andere vaardigheden. Om
tot optimale ontwikkeling te komen, moeten de kinderen aan een aantal
basisvoorwaarden voldoen. Deze basisvoorwaarden, zelfvertrouwen,
welbevinden en nieuwsgierigheid, verdienen veel aandacht en zorg.
Jonge kinderen moeten zich in de meest brede zin van het woord kunnen
ontwikkelen. Dat wil zeggen: initiatieven nemen, kunnen communiceren,
samenspelen en samenwerken met anderen, planmatig kunnen denken
en handelen.
Een actief, breed en goed gebruik van taal is hierin onmisbaar.
Een ontwikkelingsgerichte benadering
houdt in dat leerkrachten de taak hebben om te bemiddelen, te helpen
en te sturen zodat de actuele ontwikkeling versterkt wordt en om
kinderen te leiden naar de ontwikkeling- en leerprocessen die een
stapje hoger liggen (de naaste ontwikkeling).
Door activiteiten (spel, constructie,
taal, lees/schrijf, reken......) en inhouden (thema’s- onderwerpen)
aan te bieden of uit het kind te laten komen, creëer je een
grote betrokkenheid bij kinderen. Doordat de thema’s voor
de kinderen betekenisvol zijn, passen de activiteiten bij wat het
kind graag doet en die het persoonlijk als zinvol en interessant
ervaart.
In onze visie heeft spel een leidende
rol in het gehele ontwikkelingsproces.
Door het spel leren ze zichzelf en hun wereld kennen; ze ‘oefenen’
o.a. hun motoriek en waarneming; ze leggen sociale contacten, leren
met elkaar rekening te houden en samen te spelen.
Bij de kleuters zult u vaak hoeken
tegenkomen die uit de werkelijkheid zijn nagebootst en waar de kinderen
een thematisch rollenspel kunnen spelen.
De materialen voor deze hoeken worden vaak door de kinderen zelfgemaakt.
In een restaurant kun je een echte kok spelen of een ober. Wil je
dit ‘echt’ kunnen spelen dan heb je een menukaart of
misschien een kookboek nodig. Dit is een betekenisvolle activiteit
waar een kind erg betrokken en toe gemotiveerd zal zijn. Het resultaat
kan hij/zij straks in zijn/haar spel gebruiken. Het thema restaurant
zal de meeste kinderen erg aanspreken, ze gaan immers allemaal weleens
lekker uit eten!
Deze benadering leidt er dan ook
toe dat de kinderen niet altijd dezelfde werkjes zullen maken en
ook niet evenveel.
Spelen doe je, het is niet altijd zichtbaar!
Peuters en kleuters houden veel
van herhaling.
Daarom vind je in iedere klas een aantal routines terug. Bijvoorbeeld
bij de dagopening. Gezamelijk bekijken we of alle kinderen aanwezig
zijn.
Is er iemand absent dan wordt zijn of haar foto omgedraaid door
het hulpje.
Dan worden de dagritmekaarten bekeken en de kalender.
Bij het begin van een thema wordt er altijd een woordweb (wat hoort
er allemaal bij dit thema?) gemaakt. Vaak maken we een verteltafel
bij een boek zodat we het verhaal na kunnen spelen.
Cijfers en letters komen ook aan bod, niet omdat ze deze moeten
kennen maar om er kennis mee te maken.
De kring is een terugkerende werkvorm
in alle groepen. Hierin worden (taal/reken)spelletjes gedaan, voorgelezen,
gesprekken gevoerd, gezongen, muziek gemaakt, etc.
Soms met alle kinderen in een grote kring en soms in een kleine
kring. De kinderen die niet deelnemen aan een kleine kring moeten
zelfstandig werken/spelen. Per leeftijd is de tijdsduur en de manier
waarop dit gebeurt verschillend.
Het planbord, zoals dit in de kleutergroepen gebruikt wordt, helpt
hen hierbij. Ieder kind heeft een naamkaartje met een magneetje
eraan en op het bord hangen kaartjes met pictogrammen van de activiteiten
waarmee gespeeld kan worden. Door je naam bij een kaartje te hangen
kies je voor een activiteit. Er zijn gele/groene en rode kaartjes.
De gele kaarten geven de vrije keuze activiteiten aan. De rode en
de groene kaartjes zijn de weekwerkjes. Rood voor de oudste kleuters
en groen voor de jongsten. Deze werkjes worden op maandag uitgelegd
en de kinderen tekenen deze zelf af.
De weekwerkjes kunnen variëren van het maken van een puzzel,
spelletje of werkblad tot spelen met de verteltafel, etc.
Deze werkwijze is een voorloper
van het zelfstandig werken in Deelschool 2, het biedt de leerkracht
en het kind een duidelijke structuur en leert kinderen keuzes maken
en plannen.
Drie keer in de week gaan we naar de gymzaal. Twee keer voor een
les en één keer om vrij te spelen. Op de andere twee
dagen kijken we televisie (voornamelijk programma’s van de
Nederlandse Onderwijs televisie).
Iedere dag spelen we buiten. Soms alleen en soms met andere groepen.
Hierboven staan de gewone dagelijkse
activiteiten beschreven maar we doen natuurlijk ook weleens ‘bijzondere’
dingen zoals koken, een uitstapje maken, een voorstelling geven,
etc. vaak als afsluiting van een thema.
Bij de oudste kleuters nemen we
twee keer per jaar de Cito- toetsen (taal, ruimte en tijd, ordenen)
af. Alleen aan het einde van het schooljaar krijgen alle kinderen
een rapport.